Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Casus gebitsslijtage deel 1 | Diagnose, classificatie en behandeling

Arend van den Akker
Anthony Nguyen MSc
Lucas Schep MSc
In dit eerste artikel (in TP1 van 2023 volgt deel 2) beschrijven we een relatief nieuwe vorm van behandeling van gebitsslijtage, de zogenaamde Forma Injectie Techniek, waarbij met behulp van een digitale opwastechniek transparante siliconenmallen worden vervaardigd om tot een snelle doelmatige en redelijk eenvoudige manier tot een herstel van anatomie te komen met behulp van een injectable composiet.
Premium

Diagnose

Iedere patiënt die de tandartspraktijk bezoekt, laat enige vorm van gebitsslijtage zien. Dagelijks wordt het gebit immers blootgesteld aan allerlei invloeden met als gevolg slijtage. We onderscheiden hierin chemische en mechanische slijtage die vervolgens worden onderverdeeld naar een intrinsieke- of extrinsieke oorzaak. Tijdens het periodiek mondonderzoek wordt naast het screenen op allerlei variabelen zoals parodontale – en cariogene risico’s ook gescreend op occlusale problematiek. In het laatste onderdeel valt gebitsslijtage.
Als we naar slijtage kijken, is het belangrijk dat altijd meegenomen moet worden welke leeftijd de patiënt heeft. Wanneer slijtage niet-fysiologisch is, wordt dit opgevolgd door de vraagstelling: wanneer is een behandeling gewenst? Het boek ‘Atlas Gebitsslijtage’ van H. van Pelt et al (2018) is een goed naslagwerk en kan een goede leidraad zijn, wanneer een patiënt zich in de praktijk meldt met tekenen van overmatige gebitsslijtage. Fysiologische gebitsslijtage is slijtage die ontstaat door het kauwproces (mechanisch intrinsieke slijtage) en bedraagt voor molaren jaarlijks ca. 29 μm en premolaren 15 μm. Gedurende het leven (plusminus 60 jaar) zou dit een verlies van respectievelijk 1,7 mm en 0,9 mm betekenen, terwijl dit voor bovenincisieven en onderincisieven respectievelijk 1,0 mm en 1,5 mm zou bedragen.
In de praktijk betekent het dat we bijvoorbeeld een ondermolaar als referentie kunnen gebruiken. De afstand vanaf de knobbeltop tot aan de glazuurdentinegrens van de dentinehoorn bedraagt gemiddeld 1,0–1,3 mm. Uit een rekensom (1,0/0,029 = 34jaar) blijkt dat het ca. 34 jaar duurt voordat dentine zichtbaar zou mogen zijn. Aangezien een eerste ondermolaar vanaf het
Premium

Wilt u dit artikel lezen?


    Al abonnee? Log dan in

    Dit artikel is verschenen in TandartsPraktijk nr. 8, 2022.

    Geef uw reactie

    Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.