De zaak begon met een patiënte die zich in januari 2024 meldde voor de behandeling van cariës in element 35. De tandarts plaatste een composietrestauratie. Ruim een jaar later bleek deze vulling te zijn uitgevallen. De patiënte nam contact op met de praktijk en werd ingepland bij de mondhygiënist, die op 20 maart 2025 een nieuwe éénvlaks composietvulling aanbracht. De klachten verdwenen echter niet. Enkele maanden later werd op een röntgenfoto een ontsteking bij hetzelfde element vastgesteld. De patiënte diende daarop een tuchtklacht in. Zij stelde onder meer dat de mondhygiënist tandheelkundige handelingen had verricht zonder toezicht van een tandarts en dat hierdoor onnodige schade aan haar gebit was ontstaan. Ook vond zij dat zij onvoldoende was geïnformeerd en onheus was bejegend.
Primair of secundair?
De kern van de uitspraak draait om een juridisch én tandheelkundig onderscheid tussen primaire en secundaire cariës. De tandarts voerde aan dat de mondhygiënist handelde binnen het destijds geldende “Tijdelijk besluit zelfstandige bevoegdheid geregistreerd-mondhygiënist”, het experiment waarbij geregistreerd-mondhygiënisten onder voorwaarden zelfstandig bepaalde voorbehouden handelingen mochten uitvoeren, waaronder het behandelen van primaire caviteiten. Het tuchtcollege ging daar niet in mee. Omdat het ging om een element waarin al eerder een restauratie was aangebracht en waarvan de vulling was uitgevallen, was volgens het college sprake van een secundaire caviteit. Een geregistreerd mondhygiënist mocht deze behandeling destijds niet zelfstandig uitvoeren. Daarvoor was een voorafgaande opdracht van de tandarts nodig, inclusief adequate supervisie en de mogelijkheid tot tussenkomst.
Regie
Volgens het college schoot de tandarts tekort in zijn verantwoordelijkheid als opdrachtgever. Hoewel de tandarts tijdens de behandeling in de praktijk aanwezig was en zo nodig geraadpleegd kon worden, vond het college dat onvoldoende. Het initiatief om de tandarts te betrekken lag feitelijk bij de mondhygiënist, terwijl juist de tandarts verantwoordelijk bleef voor toezicht op gedelegeerde voorbehouden handelingen. Daarnaast stelde het college vast dat de patiënte rechtstreeks bij de mondhygiënist werd ingepland, zonder inhoudelijke beoordeling door de tandarts. Ook bleek tijdens de zitting dat de tandarts nauwelijks zicht had op de triage binnen de praktijk en niet wist hoe de beslisboom werkte waarmee patiënten aan de mondhygiënist werden toegewezen. Volgens het college wees dat op een gebrekkige praktijkorganisatie.
Overleg
Bij de beoordeling speelde ook de interne organisatie van de praktijk een belangrijke rol. Zo bleek dat er geen structureel vakinhoudelijk overleg plaatsvond tussen tandarts en mondhygiënist en er geen vaste controle bestond van door de mondhygiënist uitgevoerde restauraties. Ook waren er geen duidelijke werkafspraken over de grenzen van de zelfstandige bevoegdheid. De tandarts verklaarde bovendien dat hij na ontvangst van de tuchtklacht geen aanpassingen in de praktijkvoering had doorgevoerd. Dat baarde het college zorgen en woog mee bij de keuze voor de maatregel.
Ongegrond
Niet alle onderdelen van de klacht hielden stand. De patiënte vond dat zij had moeten worden geïnformeerd dat de behandeling plaatsvond binnen het experiment met de zelfstandige bevoegdheid van mondhygiënisten. Volgens het college bestaat daarvoor echter geen wettelijke informatieplicht. Dat klachtonderdeel werd daarom ongegrond verklaard. Ook de klacht over de communicatie werd afgewezen. De tandarts had tijdens een consult tegen de patiënte gezegd dat zij “maar geen gaatje had moeten krijgen”. Hoewel het college deze opmerking onhandig en ongepast noemde, had de tandarts daarvoor meerdere malen excuses aangeboden. De uitlating werd daarom niet als tuchtrechtelijk verwijtbaar aangemerkt.
Berisping
Het tuchtcollege legde uiteindelijk een berisping op. Daarbij speelde niet alleen de behandeling van deze patiënte een rol, maar vooral het ontbreken van voldoende toezicht, onvoldoende kennis van de wettelijke bevoegdheden van de mondhygiënist en een praktijkorganisatie waarin verantwoordelijkheden onvoldoende waren vastgelegd.

