Randspleten

Restauraties worden nogal eens vervangen wanneer er verkleurde randen (microlekkage) of randspleten aanwezig zijn, omdat men het risico van secundaire cariës dan hoger inschat.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Randspleten en andere marginale defecten zijn een door tandartsen veelgebruikt criterium om restauraties te vervangen. Er is dan ook heel wat onderzoek dat zich heeft gericht op de grootte van randspleten tussen element en restauratie, voordat secundaire cariës kan ontstaan en op de vraag of er een grenswaarde is vanaf wanneer secundaire cariës ontstaat.

Er zijn verscheidene onderzoeken (in vitro, in situ en klinisch) die de relatie tussen de breedte van de randspleet en secundaire cariës hebben onderzocht. Meerdere onderzoeken vonden een positieve relatie, wat inhoudt dat als de randspleet breder wordt, de kans op secundaire cariës groter wordt. In 1968 vonden Jørgensen en Wakumoto een positieve correlatie tussen de grootte van marginale defecten en de ontwikkeling van secundaire cariës. In dit in-vivo-onderzoek werden eerste blijvende molaren geëxtraheerd om orthodontische redenen en de amalgaamrestauraties in deze molaren werden beoordeeld op marginale defecten en de aanwezigheid van secundaire cariës. De onderzoekspopulatie bestond uit kinderen (leeftijd 9–15 jaar) met een relatief hoog cariësrisico. De resultaten lieten zien dat de kans op het voorkomen van secundaire cariës toenam, naarmate er meer en grotere marginale defecten aanwezig waren. Secundaire cariës werd niet geassocieerd met randspleten kleiner dan 50 micrometer.

Het cross-sectionele onderzoek van Goldberg en anderen ( 1981) bestudeerde de relatie tussen secundaire cariës, grootte van het marginale defect en mondhygiëne van 87 vrijwilligers (leeftijd 17–61 jaar). De marginale kwaliteit van 1.556 restauraties werd gescoord en de mondhygiëne werd gemeten met plaque- en bloedingscores. Deze resultaten toonden ook aan dat er een verhoogde kans op secundaire cariës was met een toenemende grootte van de randspleet. Er werd echter aangetoond dat ook de mondhygiëne van belang was voor het bepalen van de kans op secundaire cariës.

Dérand en anderen ( 1991) onderzochten de relatie tussen de randspleet van amalgaam en gebitselement en de aanwezigheid van secundaire cariës met een in-vitromodel. Glazuur-dentineblokjes van cariësvrije molaren werden in een apparaat geplaatst, waarmee het amalgaamblokje op een in te stellen afstand van het glazuur-dentineblokje kon worden geplaatst. Randspleten varieerden van 0, 30, 40, 60 tot 80 micrometer. Cariëslaesies werden gecreëerd door te inoculeren met S. mutans in kweekmedia met glucose of sucrose. Dentinecariës ontstond in alle proefstukjes wanneer er een randspleet van 30 micrometer of meer aanwezig was in de sucrosegroep. In de glucosegroep ontstond alleen dentinecariës in de grootste randspleten van 60 en 80 micrometer. Deze resultaten ondersteunen de theorie dat er een grenswaarde aan randspleten is voor de initiatie van secundaire cariës.

Totiam en anderen ( 2007) vergeleken proefstukjes gerestaureerd met composiet en een randspleet van 50 micrometer of 500 micrometer in een in vitro microbieel cariësmodel ( S. mutans, 1 % sucrose). Ze vonden een trend van grotere wandlaesies geassocieerd met grotere randspleten in glazuur en dentine, maar een significant effect werd alleen gevonden in dentine. In een vervolgexperiment werden randspleten van 0, 250 en 1.000 micrometer met elkaar vergeleken en ook nu werd een trend gevonden van grotere wandlaesies geassocieerd met grotere randspleten. In glazuur werd echter pas een statistisch significant verschil gevonden tussen 25 versus 1.000 micrometer en in dentine al tussen 25 versus 250 micrometer.

In de klinische studie van Hodges en anderen ( 1995) werden amalgaamrestauraties verwijderd wegens defecte randen en de klinisch gedetecteerde randspleet werd vastgelegd door middel van het maken van een afdruk. Bij het verwijderen van de restauratie werd genoteerd of er secundaire cariës aanwezig was. De gemiddelde breedte van randspleten in carieuze locaties werd in hetzelfde element vergeleken met de gemiddelde breedte van randspleten in niet-carieuze locaties. Een statistisch significant verschil van 187 micrometer werd gevonden tussen de carieuze en niet-carieuze locaties, waarbij de randspleet groter was in de carieuze locatie.

In het bacteriële in-vitro-onderzoek van Diercke en anderen ( 2009) werd aangetoond dat wandlaesies kunnen ontstaan onafhankelijk van de aanwezigheid van oppervlaktelaesies en dat de omvang van de wandlaesies toenam met een bredere randspleet. In glazuur werd een significante toename in wandlaesieoppervlak gevonden tussen 50 en 250 micrometer randspleetbreedte en in dentine tussen 50 en 100 micrometer.

Er zijn echter ook onderzoeken die geen relatie vonden tussen de breedte van de randspleet en secundaire cariës. Kidd en O’Hara ( 1990) vonden in 54 % van de doorgezaagde, geëxtraheerde elementen met amalgaamrestauraties cariëslaesies in de caviteitswand van het glazuur, ongeacht of de rand nu defect of intact was. Pimenta en anderen ( 1995) voerden een soortgelijk onderzoek uit en vonden secundaire cariës in 47 % van restauraties met intacte randen en in 58 % van restauraties met defecte randen, wat geen statistisch significant verschil is.

In het in-situ-onderzoek van Kuper en anderen ( 2014) werd er in verschillende maten randspleten (50, 100, 200, 400 micrometer en een niet-gebond grensvlak) gekeken naar de ontwikkeling van wandlaesies. Het niet-gebond grensvlak bestond uit dentine gerestaureerd met composiet, waarbij geen adhesieve procedure was uitgevoerd om zodoende een minimale randspleet te creëren van circa 0–20 µm. Veertien vrijwilligers droegen drie weken lang een gemodificeerde occlusale spalk met daarin proefstukjes dentine en composiet met randspleten. Acht keer per dag werd de spalk met proefstukjes gedurende tien minuten in een 20% sucroseoplossing gedoopt. Zodoende vormden zich cariëslaesies. Het mineraalverlies en de laesiediepte in de proefstukjes werden gemeten op microradiografieopnamen en binnen de verschillende maten randspleten vergeleken. Er werd geen relatie aangetoond tussen de laesiediepte en de breedte van de randspleet. Er kon geen grenswaarde worden gevonden vanaf waar secundaire cariës ontstaat. In de proefstukjes die niet-gebond waren, werd echter nooit secundaire cariës waargenomen. De kleinste randspleet waarin een wandlaesie werd waargenomen was 68 micrometer. Verondersteld wordt dus dat de grenswaarde voor secundaire cariës ergens ligt tussen de 0 en 70 µm.

Lees ook Secundaire cariës versus primaire cariës en Belasting van restauraties >>

Bron en beeld: Het tandheelkundig jaar 2017

Geef uw reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.