Ik word aangeklaagd door patiënt met moeheidsyndroom

Een tandarts wordt aangeklaagd door een patiënt met een moeheidsyndroom. Hij schreef een lange mail aan prof. dr. Luzi Abraham-Inpijn, die antwoord geeft.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
patient, angst, spritze, mund, handschuhe, kopf, augen, nahse, haare, mann, Publikationsname / Publikationsnummer / E-Tag TT.MM.JJJJ (optional) Usage: Online (20190709) *** Local Caption *** © Ocskay Bence / Fotolia

Vanwege het belang wordt de gehele tekst van de tandarts geciteerd.

“Ik word aangeklaagd door een patiënt met een moeheidsyndroom. De patiënt meent dat zij tijdens de behandeling van de 36 een spasme van haar lichaam ontwikkelde welke zij toeschrijft aan de 1,8 ml anesthesievloeistof Septanest SP die als mandibulaire geleidingsanesthesie is gegeven. Zij refereert aan de bijsluiter van Septanest SP waarin tot voorzichtigheid wordt gemaand bij patiënten met epilepsie. De aanval trad op drie kwartier na de injectie en na het verwijderen van de oude kroon en het aanbrengen van cofferdam om het onder de kroon aanwezige amalgaam te verwijderen. Van een pijnsensatie was geen sprake.

Bij de volgende behandeling, met toestemming van de patiënt, weer met mandibulaire geleidingsanesthesie met aspiratie, ontstonden vrijwel direct spasmen en rillingen. De pols was 120/min. Voordat wij de bloeddruk konden meten was de spasme over en in overleg werd de behandeling zonder verdere complicaties voortgezet. De krampen waren vergelijkbaar met een epileptisch insult, maar zonder tonische fase.

Volgens de medische anamnese heeft betrokkene geen epilepsie maar spasmen die daarop lijken en die verband houden met haar ziekte ME/CVS (het chronische vermoeidheidssyndroom). Voor deze klacht heeft betrokkene vier neurologen geconsulteerd. Geen van hen stelde de diagnose epilepsie.

De door mij gedane zoekopdracht op PubMed leverde geen relatie op tussen ME/CVS en epilepsie. Wel is er een verband tussen stress en het ontstaan en verloop van de ziekte. Stressreductie leek mij dus essentieel. Het verwijt van betrokkene is erop gericht dat ondanks de spasmen bij de eerste behandeling, welke worden gezien als bijwerking van de Septanest, ook tijdens de tweede behandeling hetzelfde lokale anestheticum gebruikt is, zonder haar de ‘gevaren’ van Septanest mee te delen.Betrokkene geeft aan misleid te zijn over het gebruik van de term ‘biologische tandheelkunde’ op een subpagina van onze praktijkwebsite.

Zij stelt in haar klachtbrief biologische tandheelkunde gelijk aan alternatieve therapieën (elektroacupunctuur, biotensor, vegatest) en het gebruik van specifieke hulpmiddelen (clean-up). Biologische tandheelkunde heeft in onze benadering echter geen relatie met alternatieve therapieën en zo profileert onze praktijk zich ook uitdrukkelijk niet.”

Vragen

  1. Was er gezien de informatie die wij voorafgaand aan de eerste behandeling hadden, reden om af te zien van articaïne als anestheticum?
  2. Was er na de eerste behandeling reden om bij de tweede behandeling af te zien van articaïne?
  3. Is er een relatie bekend tussen Septanest en het optreden van spierspasmen?
  4. Had ik voorafgaand meer informatie (bijvoorbeeld de bijsluiter) moeten geven over Septanest, terwijl betrokken zelf gemeld heeft bij de medische anamnese ‘dat zij ook lijdt onder teveel uitleg’?
Het antwoord van Abraham-Inpijn aan de tandarts
  1. Na vier consulten neurologie mag aangenomen worden dat betrokkene geen epilepsie in welke vorm dan ook heeft. Aanvallen van spasme zijn niet inherent aan het ME-syndroom. Ook bij Lareb zijn spasmen als bijwerking van lege artis gespoten articaïne niet bekend. Alleen bij toxische doseringen kan spasme optreden. Er bestond geen contra-indicatie tegen articaïne.
  2. Vaak zijn patiënten angstig voor enige vorm van anesthesie. Er wordt gesuggereerd dat patiënten met het chronischevermoeidheidssyndroom heviger reageren op zowel lokale als algehele anesthesie. In de vakliteratuur zijn hier echter geen publicaties over. Ook over het gebruik van vasoconstrictiva is niets bekend. Bij de tweede behandeling werd voor het gebruik van de articaïne toestemming aan de patiënt gevraagd en verkregen. Er is zorgvuldig gehandeld, mede gezien het antwoord op vraag 1.
  3. Gezien het feit dat van articaïne uiterst zelden bijwerkingen voorkomen (gegevens Lareb), de opmerking van de patiënt dat zij geen overmaat aan informatie wilde, lijkt het geven van de bijsluiter een stap te ver. Bij dit type patiënten dient rekening gehouden te worden met de neiging tot shoppen (vier neurologen) en de hang naar alternatieve wijzen van behandeling. Dit op basis van het gevoel miskend, niet serieus genomen te worden. Deze wijze van reageren vraagt om een omzichtige benadering met goede documentatie van de gemaakte afspraken en verrichtingen.

Prof. dr. L. Abraham-Inpijn is emeritus hoogleraar Inwendige geneeskunde en Algemene Pathologie aan de faculteit geneeskunde UvA, mede ten behoeve van de Tandheelkunde. Zij is verbonden aan de Divisie A (Interne Geneeskunde) van het Amsterdams Medisch Centrum.

Deze kwestie staat beschreven in het boek Tandarts in de knel – Leidraad voor conflictpreventie. Ga voor meer informatie en om het boek aan te schaffen naar Tandarts in de knel.

Uit: Tandarts in de knel
Beeld: © Ocskay Bence / Fotolia

Geef je reactie

Om te kunnen reageren moet u ingelogd zijn. Heeft u nog geen account, maak dan hieronder een account aan. Lees ook de spelregels.