De patiënt bezocht eind 2024 twee keer de praktijk. Tijdens het eerste consult stelde de tandarts vergevorderde cariës vast in een verstandskies. Daarbij werden twee behandelopties besproken: extractie of restauratie. De patiënt koos voor behoud van de kies. Bij de vervolgbehandeling op 31 december bleek de cariës dieper dan verwacht. Tijdens de ingreep reageerde de patiënt zowel verbaal als fysiek op pijnprikkels. De tandarts besloot daarop de behandeling tijdelijk stil te leggen en koos voor aanvullende verdoving via een mandibulair blok. Nadat de verdoving was ingewerkt, werd de behandeling afgerond. De patiënt diende daarna een klacht in over onder meer lange wachttijden, gebrekkige uitleg en een volgens haar onzorgvuldige behandeling. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam verklaarde de klacht eerder al ongegrond. In hoger beroep keek het Centraal Tuchtcollege alleen nog naar de uitvoering van de cariësbehandeling en kwam tot hetzelfde oordeel. Volgens het college handelde de tandarts zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts mag worden verwacht. Het beroep is daarom verworpen. Bekijk de zaak hier.

